contactgegevens
APOTHEEK LANOO
Heidestraat 82a
3590 Diepenbeek
T. 011 33 19 11
pascale.lanoo@telenet.be
› Hepatitis A

Hoe merk ik het?

  • Misselijkheid, slechte eetlust
  • Gele verkleuring van het oogwit, later van de huid
  • Lichter kleuren van de ontlasting, donkerder kleuren van de urine
  • De verschijnselen kunnen sterk variëren in hevigheid

Hoe werkt het?

Hepatitis betekent leverontsteking. Verschillende micro-organismen kunnen daarvan de oorzaak zijn. Vooral virussen, zoals de hepatitis A, B en C virussen, het pfeiffervirus (Epstein Bar virus) en het Cytomegalie virus. Hepatitis A kennen we in het gewone spraakgebruik als "geelzucht". Vroeger, tot zo'n 40 jaar geleden kwam het veel meer voor. Toen werden de meesten er als kind mee besmet. Nu, door de verbeterde woonomstandigheden en hygiëne zien we het in ons land veel minder, maar zeldzaam is het nog steeds niet. Bovendien loopt men grote kans in het buitenland besmet te worden, vooral bij reizen naar (sub)tropische landen. Hepatitis A is een onschuldige ziekte, zeker in vergelijking met hepatitis B en C. Vooral bij jonge kinderen verloopt het vaak licht, soms onopgemerkt, als een griepje. Oudere kinderen en volwassenen tonen vaak het typische ziektebeeld. Ze worden ziek, twee tot vier weken na de besmetting (de incubatietijd). Het begint met misselijkheid, overgeven en vermoeidheid. De eetlust is verminderd, vooral vet wordt slecht verdragen. Na een paar dagen wordt de plas donker, hij schuimt in de toiletpot. De ontlasting wordt juist lichter, soms op het grijze af. Daarna wordt je geel, eerst alleen het oogwit, daarna ook de huid. De gele verkleuring en de misselijkheid verdwijnen na een week of twee. De vermoeidheid kan langer blijven bestaan, soms wel twee maanden. Het herstel is altijd volledig, zonder restverschijnselen. Wie de ziekte eenmaal heeft doorgemaakt is er de rest van zijn leven immuun voor. De klachten en verschijnselen bij geelzucht zijn het gevolg van een ontsteking van de lever door het hepatitis A virus. Als de lever door een ontsteking niet goed functioneert, wordt er veel minder gal uitgescheiden. Daardoor wordt de ontlasting lichter, tot grijs van kleur. De galkleurstoffen hopen zich op in het bloed en in de huid, waardoor men geel wordt. Een deel van die galstoffen wordt nu door de nieren uitgescheiden. Daardoor krijgt de urine een donkerbruine kleur.

Hoe ontstaat het?

Het Hepatitis A virus verspreidt zich via de ontlasting. Daarin komt het terecht gedurende een periode van de ziekte (ongeveer één week voor tot een week na het begin van de ziekteverschijnselen). Via handen, toilet, voeding, enzovoort kunnen anderen besmet worden. Doordat we minder dicht op elkaar wonen dan vroeger, hygiënischer toiletten hebben en beschikken over volop stromend water komt de ziekte bij ons veel minder voor dan 50 jaar geleden. In andere ((sub)tropische, mediterrane) landen zijn de omstandigheden voor verspreiding van het virus vaak gunstiger.

Hoe ga ik er zelf mee om?

Als u contact hebt met een hepatitis-a patiënt, neem dan een goede hygiëne in acht. Was de handen regelmatig, desinfecteer het toilet. Betracht ook een goede hygiëne bij reizen naar landen waar het virus ruim voorkomt (informeer ruim voor de reis bij uw huisarts of de GGD). Met deze maatregelen kunt u een besmetting echter niet met zekerheid voorkomen. Meer zekerheid biedt een vaccinatie.Laat u vaccineren alvorens af te reizen naar een land of streek waar hepatitis A veel voorkomt.

Hoe gaat de arts er mee om?

Krijgt iemand geelzucht, raadpleeg dan de arts. Deze zal met een bloedtest uitzoeken wat de oorzaak is. Dat kan en virus zijn (zie boven), maar vooral op oudere leeftijd zijn er ook andere mogelijke oorzaken (galstenen, gezwel van de galwegen of van de alvleesklier, gebruik van bepaalde medicijnen). Is het Hepatitis A virus de veroorzaker, dan is behandeling niet nodig en ook niet mogelijk. De GGD moet worden gewaarschuwd om na te gaan of contactpersonen (klasgenoten, familieleden) gevaccineerd moeten worden..

Wetenschappelijk nieuws

Voedseloverdraagbare virussen kunnen vooral worden overgedragen via voedsel dat niet of nauwelijks is verhit. Voorbeelden zijn schelpdieren, verse groente en fruit en kant-en-klare producten, zoals belegde broodjes en salades. Om de bron van een voedselinfectie te kunnen achterhalen wordt onderzocht of op het voedsel en in de patiënt hetzelfde virus aanwezig is. Tot nu toe werd hiervoor bij de patiënt een ander stukje van het genetisch materiaal van het virus aangetoond dan bij het virus dat aanwezig is op voedsel of in water. Door deze werkwijze was het niet mogelijk om de aangetroffen virussen te vergelijken, waardoor de besmettingsbron niet kon worden vastgesteld. Uit onderzoek van het RIVM blijkt nu dat zowel voor hepatitis A-virus als voor rotavirus één stukje genetisch materiaal kan worden aangetoond in de drie soorten monsters. Dit maakt het eenvoudiger om de bronnen van voedselgerelateerde virusinfecties te achterhalen. Voor het onderzoek zijn de verschillende methoden vergeleken die momenteel worden gebruikt om de bronnen van voedseloverdraagbare virusinfecties op te sporen. Virusonderzoek wordt vaak gedaan met de moleculaire techniek PCR (polymerase chain reaction), waarmee een deel van het genetisch materiaal van een virus wordt aangetoond. Er zijn verschillende PCR's beschikbaar waarmee verschillende delen van het genetisch materiaal worden gedetecteerd. Vaak wordt eerst aangetoond óf en welk virus aanwezig is (detectie). Vervolgens wordt bepaald om welk type virus het gaat (typering). Voor het onderliggende onderzoek zijn van twee virussen, hepatitis A-virus en rotavirus, meerdere detectie- en typerings-PCR's vergeleken. Voor beide virussen is bepaald welk stukje genetisch materiaal het best met PCR kan worden aangetoond om het in de mens, op voedsel en in water te kunnen detecteren. Daarnaast is bekeken welk stukje genetisch materiaal het meest geschikt is om het type virus vast te stellen (typerings-PCR). Voor beide virussen bleek dat de detectie-PCR kleinere hoeveelheden virus kan aantonen dan de typerings-PCR. Hierdoor is het mogelijk dat bij een 'lage' besmetting van het voedsel wel kan worden aangetoond dat een bepaald virus aanwezig is, maar niet kan worden bepaald om welk type virus het gaat. Dit betekent dat mogelijk niet zeker kan worden gesteld of het virus in de patiënt identiek is aan het virus op het voedsel. Dan blijft het onduidelijk of het verdachte voedsel ook daadwerkelijk de bron is. Aanbevolen wordt de methoden om virussen in voedsel aan te tonen en te typeren, te verbeteren.