contactgegevens
APOTHEEK LANOO
Heidestraat 82a
3590 Diepenbeek
T. 011 33 19 11
pascale.lanoo@telenet.be
› Baarmoederhalskanker

Hoe merk ik het?

  • Bloedverlies na het vrijen
  • Tussentijds bloedverlies
  • Abnormale afscheiding

Hoe werkt het?

Baarmoederhalskanker is een kanker van de bedekkende cellaag van de baarmoedermond. Baarmoederhalskanker begint niet van de ene dag op de andere. Er gaat een stadium aan vooraf waarbij er "onrustige cellen" aanwezig zijn in de bekleding van de baarmoedermond. Artsen noemen dat dysplasie. Dit stadium kan jaren duren. De dysplastische cellen kunnen zich twee kanten op ontwikkelen: of ze worden weer normaal of ze worden steeds onrustiger en gaan uiteindelijk over in kankercellen. Als er kanker ontstaat, blijft dat in het begin vaak zeer gelokaliseerd. Het breidt zich nog niet uit, groeit niet door in de weefsels en zaait nog niet uit. Dit noemen we een "carcinoma in situ" (een plaatselijke kanker). In het volgende stadium vindt wel doorgroei en uitzaaiing plaats en dan is er sprake van een echte kanker. De tumor kan dan uitgroeien richting baarmoeder, vagina, de blaas of de endeldarm. Uitzaaiing vindt plaats met de lymfe naar lymfeklieren, met het bloed naar skelet, de longen en de lever. De klachten die cervixcarcinoom en ook de voorstadia veroorzaken zijn goed verklaarbaar: de geirriteerde baarmoedermond bloedt makkelijk, wat leidt tot bloedverlies na het vrijen en tot tussentijds bloedverlies. Gelukkig worden deze klachten in de meeste gevallen veroorzaakt door veel onschuldiger oorzaken. Als de kanker verder doorgroeit ontstaan andere klachten als pijn, problemen met plassen en met de ontlasting.

Hoe ontstaat het?

  • Het staat vast dat bepaalde typen virus (humaan papilloma virus) een rol spelen bij het ontstaan van deze vorm van kanker. Het (gehad) hebben van veel verschillende seksuele partners verhoogt de kans op het krijgen van de ziekte. Als de partner in het verleden veel wisselende seksuele contacten heeft gehad is de kans ook verhoogd. Ook roken speelt een rol.
  • Hoe ga ik erzelf mee om?
  • Vanaf 2009 bestaat de mogelijkheid om u te laten vaccineren tegen de meest voorkomende virustypes die baarmoederhalskanker kunnen veroorzaken. Vaccinatie werkt alleen preventief en niet tegen mogelijk al bestaande afwijkingen. Als u hierover meer wilt weten, dan kunt u met de huisarts of gynaecoloog overleggen of vaccinatie in uw geval zinvol zou kunnen zijn. Wat u verder kunt doen is proberen de ziekte te voorkomen. Vrij daarom veilig. Geef gehoor aan de oproep voor het laten maken van een uitstrijkje (bevolkingsonderzoek). Baarmoederhalskanker is daarmee met een redelijke betrouwbaarheid op te sporen. Echter, ook de voorstadia van de kwaal kunnen ermee aangetoond worden. Zo kan vroegtijdig met de behandeling gestart kan worden, al voordat sprake is van kanker. Tussen uw dertigste en zestigste levensjaar krijgt u om de vijf jaar een oproep voor het uitstrijkje. De uitslag van het uitstrijkje wordt weergegeven met behulp van de "PAP-score". Men onderscheidt PAP1 tot en met PAP5, waarbij PAP1 normaal is en PAP5 carcinoma in situ of kanker aangeeft.

Wetenschappelijk nieuws

HPV-infectie kan voorlopers van baarmoederhalskanker veroorzaken. De ernst van deze voorlopers en daarmee het risico op baarmoederhalskanker hangt onder andere af van de duur van de infectie en dit blijkt zichtbaar in het aantal DNA-afwijkingen. Aldus onderzoekster Mariska Bierkens. Zij onderzocht ook kleine(re) DNA-afwijkingen en vond nieuwe genen die een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van baarmoederhalskanker. Mariska Bierkens promoveert 22 januari bij VU medisch centrum. Baarmoederhalskanker wordt veroorzaakt door infectie met humaan papillomavirus (HPV). In de toekomst wordt bij het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker getest op de aanwezigheid van dit virus. Echter, in de meeste gevallen leidt een infectie niet tot baarmoederhalskanker. Daarom zijn naast een HPV-test ook andere testen nodig, die aanduiden of een geïnfecteerde vrouw ook daadwerkelijk een verhoogd risico heeft op het ontstaan van baarmoederhalskanker. Naast een HPV-infectie zijn veranderingen in het DNA, zogeheten (epi)genetische veranderingen van de geïnfecteerde cel nodig voor de ontwikkeling van baarmoederhalskanker. Het onderzoek van Mariska Bierkens richtte zich op het karakteriseren van deze veranderingen in een serie van voorloperafwijkingen van baarmoederhalskanker die er onder de microscoop even ernstig uitzagen. Het unieke van deze serie weefselbiopten was dat Bierkens wist hoe lang de betrokken vrouwen met HPV geïnfecteerd waren. Onderzoek naar DNA-afwijkingen toonde aan dat laesies van vrouwen met kortdurende voorgaande infectie geen of weinig DNA-afwijkingen hadden terwijl die met langdurende voorgaande infectie veel afwijkingen hadden, gelijk aan kankergevallen. Daarnaast bleek ook het HPV-type invloed te hebben op het aantal en de locatie van genetische afwijkingen. Naast grotere chromosoomafwijkingen keek Bierkens ook naar kleine afwijkingen. Zo vond zij nieuwe genen die een belangrijke rol lijken te spelen bij het ontstaan van baarmoederhalskanker. Tevens concludeert zij dat zogenaamde epigenetische veranderingen afhankelijk zijn van de duur van voorafgaande HPV-infectie. De in dit onderzoek aangetoonde (epi)genetische verschillen zullen leiden tot een betere herkenning van vrouwen die een verhoogd risico hebben op baarmoederhalskanker.

HPV