contactgegevens
APOTHEEK LANOO
Heidestraat 82a
3590 Diepenbeek
T. 011 33 19 11
pascale.lanoo@telenet.be
› Rodehond

Hoe merk ik het?

  • Rode uitslag in het gezicht, later ook op romp, armen en benen
  • Wat opgezette klieren in de hals en achter de oren

Hoe werkt het?

Rodehond is (of liever: was) een van de bekende kinderziektes. De ziekte begint met uitslag in het gezicht. Deze uitslag breidt zich uit naar de romp en de dag daarna naar de armen en benen, terwijl de uitslag op de romp alweer verbleekt. Na een dag of drie is het weer verdwenen. Soms gaat er een lichte verkoudheid aan vooraf. De lymfeklieren in de hals en achter de oren zetten vaak wat op. Kinderen zijn er niet erg ziek van. Bij velen merk je niet eens dat ze de besmetting doormaken. Die krijgen ook geen uitslag.

Hoe ontstaat het?

Rodehond wordt veroorzaakt door het rubellavirus. De eerste rubellavaccins zijn sedert 1969 beschikbaar. In Nederland wordt het vaccin sedert 1974 in het Rijksvaccinatieprogramma ingepast. In dat jaar werd begonnen met vaccinatie van elfjarige meisjes met het doel om Rodehond in de vruchtbare leeftijd te voorkomen. Ondanks het hoge entpercentage bleven ongeveer 50.000 vrouwen in de vruchtbare leeftijd onbeschermd. Het vaccin werd in 1987 onderdeel van de cocktail die gegeven wordt op de leeftijd van veertien maanden en negen jaar. Van 1987 tot 1990 is er een inhaalcampagne georganiseerd voor vierjarigen. Het gemiddeld vaccinatiepercentage bedraagt 94 procent. Het virus kan bij zwangere vrouwen die er nog niet eerder mee besmet zijn geweest een miskraam veroorzaken of aangeboren afwijkingen aan de baby. Doordat de meeste kinderen gevaccineerd zijn komt het virus in Nederland bijna niet meer voor. We zien de ziekte dan ook nog maar sporadisch. Het is nog wel te verwachten bij buitenlanders die niet ingeënt zijn of bij bepaalde bevolkingsgroepen die om principiële redenen van vaccinatie afzien. Het virus wordt overgedragen via de lucht, door het inademen van microscopisch kleine speekseldeeltjes die door een patientje worden opgehoest of via met speeksel besmet materiaal (bekers, bestek, handen). De tijd tussen de besmetting en het optreden van de ziekteverschijnselen (incubatieperiode) bedraagt twee tot drie weken. De ziekte is besmettelijk vanaf ruim een week voor de uitslag ontstaat tot enkele dagen nadat de uitslag is verdwenen.

Hoe ga ik er zelf mee om?

Verzorg uw kind zoals u gewend bent wanneer het zich niet lekker voelt. Overleg met de school wanneer uw kind weer naar school kan. Dat zal meestal geen probleem zijn omdat vrijwel alle kinderen tegen rodehond zijn ingeënt. Houd uw kind weg bij zwangere vrouwen van wie u niet zeker weet of ze gevaccineerd zijn.

Hoe gaat de arts er mee om?

Een speciale behandeling door de dokter is niet nodig. In het begin van de zwangerschap worden alle vrouwen gecontroleerd op antistoffen tegen rode hond in het bloed. Als die antistoffen inderdaad aangetroffen worden is de vrouw beschermd tegen de ziekte. Als u zwanger bent en niet weet of u wel antistoffen hebt tegen rodehond en u vermoedt dat u contact heb gehad met een kind met die ziekte, neem dan onmiddellijk contact op met uw arts. Deze kan alsnog laten nagaan of er antistoffen in het bloed aanwezig zijn. Is dat niet het geval, dan krijgt u antistoffen per injectie toegediend. Deze geven kortdurend bescherming. Na de zwangerschap moet u dan alsnog gevaccineerd worden.

Wetenschappelijk nieuws

Anna Krabbe Lugnér deed onderzoek naar de kosteneffectiviteit van infectieziektebestrijding in Nederland voor pandemische griep, rodehond en kinkhoest. Zij laat zien dat het daarbij uiterst belangrijk is om ook rekening te houden met de groepsimmuniteit. In het bijzonder is volgens Krabbe Lugnér een "dynamisch transmissiemodel" onmisbaar bij een economische analyse van de kosteneffectiviteit van maatregelen, bijvoorbeeld tegen een grieppandemie. Zij ontwikkelde een dergelijk model ten behoeve van de voorbereiding van de bestrijding van een mogelijke grieppandemie met potentieel veel infecties en hoge sterfte. Zij koppelde dit model aan een economisch kostenmodel en paste het toe op verschillende interventies. Zowel vaccinatie als behandeling met antivirale middelen, gericht op vermindering van overdracht en van complicaties ten gevolge van griep, bleken allebei kosteneffectief. Het 30 jaar lang aanhouden van een voorraad antivirale middelen, om te gebruiken tijdens een eventuele pandemie, loont alleen als het risico op een pandemie groter is dan 9% in die periode, én als daarbij kosten voor werkverzuim tijdens de ziekte worden meegerekend. Welke vaccinatiestrategie het meest kosteneffectief bleek, hing af van het reeds aanwezig zijn van gedeeltelijke immuniteit tegen een pandemisch virus bij ouderen: groepsimmuniteit, een extern effect van vaccinatie. Wanneer de overbrenging van de ziekteverwekkers lager is, is immers ook de kans kleiner dat niet-gevaccineerde individuen besmet worden. In regio"s met een lage vaccinatiegraad is de groepsimmuniteit onvoldoende en kunnen infectieziekten, die elders in bedwang zijn, zoals rodehond, grote ziektelast veroorzaken. Voor rodehond onderzocht Krabbe Lugnér de kosteneffectiviteit van een screening- en vaccinatieprogramma om complicaties bij ongeboren kinderen te voorkomen. In lage-vaccinatiegraadregio"s kan het programma kosteneffectief zijn. Ten slotte maakte Krabbe Lugnér een economische evaluatie van de boosterstrategie op vierjarige leeftijd tegen kinkhoest. Deze strategie was niet evident kosteneffectief, alhoewel het totale aantal infecties was verminderd. Krabbe Lugnér concludeert dat externe effecten (positieve én negatieve) van vaccinatie moeten worden opgenomen in economische evaluaties om tot evenwichtige keuzes te komen bij de verdeling van publieke middelen. Anna Krabbe Lugnér (Zweden, 1968) studeerde economieaan de universiteit van Lund. Zij promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen op onderzoek dat zij uitvoerde bij het RIVM, dat ook haar onderzoek financierde.